Liedjes

 

Poesje mauw.
Poesje mauw, kom eens gauw
ik heb lekkere melk voor jou
en voor mij rijstebrij, ach wat heerlijk smullen wij

In de maneschijn.
In de maneschijn, in de maneschijn,
klom ik op het trapje door het raamkozijn
maar je waagt het niet, maar je waagt het niet
zo doet een vogel, zo doet een vis
zo doet een duizendpoot die schoenenpoetser is.
En dat is één en dat is twee
En van je dikke, dikke tante Kee
En dat is recht en dat is krom
En nu draaien we het wieltje weer om, rom bom.

De wielen van de bus.
En de wielen van de bus gaan ‘rond en rond’ (3x)
En de wielen van de bus gaan rond en rond
helemaal door de stad

En de deuren van de bus gaan ‘open en dicht’ (3x)
En de deuren van de bus gaan open en dicht
Helemaal door de stad

En het poesje in de bus zegt miauw/miauw/miauw
En het hondje in de bus zegt waf/waf/waf
En de toeter van de bus zegt tuut/tuut/tuut
En de mensen in de bus gaan van hosebotse knotsen
En het kindje in de bus zegt ‘ik wil een ijsje’
En de mama van het kindje zegt ‘niet zo zeuren’.

Een treintje rijdt op wielen.
Een treintje rijdt op wielen, op wielen, op wielen
een treintje rijdt op wielen, op wielen rijdt een trein
en daar komt de conducteur, die knipt de kaartjes door
en dan blaast hij op zijn fluit, en dan gaat de trein vooruit.

Een treintje ging uit rijden.
Een treintje ging uit rijden van Amsterdam naar Rotterdam
en achter alle raampjes daar zaten zoveel kindertjes
en die deden zo en die deden zo
achter al die raampjes
en die deden zo en die deden zo
zie, za, zo

Op een klein stationnetje.
Op een klein stationnetje ’s morgens in de vroegte
stonden zeven wagentjes netjes op een rij
en de machinisten draaiden aan de wieltjes
hakke, hakke, fuut, fuut, weg zijn wij.

De brandweerwagen.
Daar komt ….. met de brandweerwagen
hoei, hoei, hoei
wat een brandweerwagenman/vrouw
tingelingeling
Daar komt ….. aan
met de ladder en de slang
….. is helemaal niet bang
pssssssss

Op een grote paddestoel.
Op een grote paddestoel rood met witte stippen
zat kabouter Spillebeen heen en weer te wippen
krak, zei de paddestoel
met een diepe zucht
en allebei de beentjes, vlogen in de lucht.

Ik zag twee beren.
Ik zag twee beren
broodjes smeren
oh, dat was een wonder
’t was een wonder, boven wonder
dat die beren smeren konden
hi, hi, hi, ha, ha, ha, ik stond erbij en ik keek erna.

Twee handjes op de knieën.
Twee handjes op de knieën
twee handjes in de zij.
Twee handjes op de schouders
op het hoofdje allebei
De rechter in de hoogte
de linker doet ook mee
nu strekken we ze recht vooruit de handjes alletwee.
Nu maken we twee vuistjes, zo stevig als het kan
daar slaan we mee op tafel van rammel, de bammel de bam

Dit zijn mijn wangetjes.
Dit zijn mijn wangetjes
dit is mijn kin.
Dit is mijn mondje met tandjes erin.
Dit zijn mijn oogjes
mijn oortjes, mijn haar.
Nu nog mijn neusje en dan ben ik klaar

Hansje pansje kevertje.
Hansje pansje kevertje die klom een op een hekje
Neer viel de regen en spoelde Hansje weg
Op kwam de zon en die maaktje Hansje droog
Hansje, pansje kevertje die klom toen weer omhoog

’n Koetje en ’n kalfje die stonden in de wei.
Een koetje en een kalfje die stonden in de wei
toen kwam daar opeens een varkentje voorbij
Die zei, die zei: Geef dat kalfje maar aan mij.
Nee, zei de koe, boe, boe
Nee, zei de koe, boe, boe

Helikopter mag ik met jou mee omhoog?
Helikopter, helikopter, mag ik met jou mee omhoog?
Hoog in de wolken wil ik wezen
hoog in de wolken wil ik zijn.
Helikopter, helikopter vliegen is zo fijn; kapitein

Ik heb een plaatje van een zonnetje (carnaval)
Ik heb een plaatje van een zonnetje
op mijn linkerwang
En ik blaas op mijn ballonnetje
en dat zegt dan pang.
Ik buitel en ik zing, ik dans en ik spring
Hoi, ’t is carnaval.